Blij kijkt hij mij aan met zijn grote donkerbruine ogen als ik aanstalten maak om te vertrekken. ‘Ga je mee Max?’, vraag ik. Natuurlijk gaat hij mee, Max wil altijd mee. Opgewonden loopt hij achter mij aan naar buiten. Wat! Gaan we nog met de auto ook? Gaaf zeg! Max vliegt mij nog net niet om de nek. Duidelijk is dat hij nog geen weet heeft van het naderende onheil. Dit laat ik nog maar even zo, wel zo verstandig. Max heeft namelijk een schaarfobie, ik hoef maar naar het bewuste keukenlaatje te kijken of hij kiest al het hazenpad. Maar vanmiddag komt Max er niet onderuit, er wordt een professionele schaar in zijn goudblonde lokken gezet. Gezien zijn uiterlijke staat is een ‘make-over’ geen overbodige luxe. Zijn haren pieken werkelijk alle kanten uit en er zitten bovendien enorme klitten in. De meisjes gunnen hem geen blik meer waardig! Dat moet anders.

Ik klik de autodeuren open, duw de kofferklep omhoog en druk de achterbank omlaag. ‘Hup, spring!’ zeg ik gebiedend. Doe het lekker zelf, hoor ik Max denken terwijl hij zijn kont naar de auto wendt en in protesthouding gaat zitten. Hoewel mijn auto kleiner is dan die van zijn baas is de achter instap lastiger te nemen. Voor een vierentachtig jarige (zijn hondenleeftijd is twaalf) is het zelfs een onneembare horde. Max optillen is geen optie, zo’n vierendertig kilo Golden Retriever schoon aan de haak, ik ben Popeye niet! Dan maar via de bijrijderskant proberen hem in mijn karretje te lokken. Ik heb de deur nog niet opengetrokken of meneer stuift –hopla- naar binnen en gaat parmantig achter het stuur zitten. Stond waarschijnlijk op zijn ‘bucket-list’, een puppydroom die uitkomt (of zou het aan zijn naam liggen…?). Met geduld en beleid weet ik hem toch nog te bewegen om in de achterbak te gaan zitten.

Bezweet van de inspanning druk ik even later het gaspedaal in. Na enkele minuten rijden besef ik dat Max in een oncomfortabele houding zit (of ligt dat is een beetje onduidelijk). Krampachtig probeert hij grip te krijgen op de metalen achterkant van de bank welke taps afloopt. Ik zie hem trillen, de stakker. Aangezien het maar tien minuutjes rijden is race ik door, ik ben allang blij dat ik de massa hond achter in de auto heb weten te proppen. Opgelucht maar gestrest springt Max even later de auto uit, ik klem hem direct aan de lijn. Al snuffelend en plassend (voor de juiste beeldvorming: dan heb ik het over Max) naderen we de trimsalon. Ineens begint hij onraad te ruiken en gaat hij breeduit midden op straat zitten, zo van: ho ho dit is niet de bedoeling! Er is geen beweging meer in de hond te krijgen. Ik ruk en trek aan de riem, maar ik krijg hem met geen mogelijkheid van zijn plaats, alsof hij vastgelijmd zit op het asfalt. Maar zowaar… na een stevige haal schiet ik alsnog over het wegdek en beland al buitelend in de gemeentestruiken. Mét halsband, maar zonder hond. Triomfantelijk kijkt Max mij aan van ‘heb ik dit niet even mooi geflikt’. ‘Mevrouw u verliest uw hond’, meldt een voorbijganger jolig. Tjonge, heb ik weer, een lolbroek als getuige.

Weer lijn ik Max aan, pak hem stevig beet en sleur hem min of meer de trimsalon in. Daar worden we al verwacht. Tegenstribbelend wordt hij op de behandeltafel vastgebonden en gemuilkorfd. Ze kennen hem nog van een vorige keer toen beet hij in de hand van de trimster. Daar maak je je als hond niet populair mee. Max is een goedzak maar kom niet met een schaar bij hem in de buurt, dan verandert hij terstond in een leeuw. ‘Ik heb al twee enorme ‘zit’klitten weggeknipt bij zijn achterwerk’, vertel ik met enige trots. Er zit waarschijnlijk een excellente hondentrimster in mij verstopt. Dit zeg ik natuurlijk niet hardop, maar het moge duidelijk zijn: ik heb talent! Dat van het zelf knippen had ik beter niet kunnen verklappen, ik blijk knipbroddelwerk te hebben geleverd! Maar ze beloven hun best te doen om er nog iets van te maken. Met de staart tussen mijn benen word ik zachtjes de deur uitgewerkt. Over drie uurtjes mag ik Max weer ophalen.

Iets eerder dan de afgesproken tijd haal ik Max op. Hij staat nog steeds vastgeketend op de tafel met om zijn bek de muilband. Zijn oortjes gaan spontaan de lucht in als hij mij ziet, alsof hij mij wil seinen: ‘Red mij!’ Niet veel later lopen we samen naar buiten. ‘Nou Max’, fluister ik in zijn oor, ‘ik hoop dat ze nog een paar wilde haren hebben laten zitten, kun je weer fijn achter de teefjes aanrennen!’ Verbeeld ik het mij nou of geeft hij mij werkelijk een knipoogje…?