‘Joehoe, hoe gaat het hier!?’ We verwachten haar al. ‘Zo rond het middaguur kom ik de boel inspecteren’, heeft zij beloofd. Nu het tegen twaalven loopt komt ze binnenwandelen: onze mem.

 

Mijn ouders gaan binnenkort verhuizen naar ‘Op Toutenburg’ in Tietjerk. Het in Neo-Renaissance-stijl opgetrokken complex is in 1895 gebouwd voor ‘behoeftige mensen uit de regio’. Dit begrip past niet meer in deze tijd, gelukkig maar ook. Om hun nieuwe huisvesting leuk in te kleuren zijn mijn drie zussen en ik druk bezig met verfkwasten en sausrollers. Alleen jammer dat onze broer Cees ontbreekt, hij ligt in het ziekenhuis te herstellen van een knieoperatie.
Ter verhoging van de werkvreugde worden er volop herinneringen opgehaald. ‘Trending topic’ is het verhaal over het kunstgebit van mijn moeder. Die floept, terwijl ze de wc al doorspoelt, pardoes haar mond uit zo de pot in. Een graai levert haar alleen een zeiknatte mouw op, de prothese is al onderweg naar de beerput. ‘Oh…, mijn gebiss, mijn gebiss!’ roept mijn moeder ontzet. De woorden komen nogal slordig uit haar, deels tandeloze, mond. Gelukkig biedt een telefoontje naar mijn zwager Keimpe (boer van beroep) hoop. Niet veel later rijdt er een bonte stoet onze straat in: Keimpe met tractor en giertank voorop, dan volgt mijn zus Wipkje op de fiets met haar jongste op de bagagedrager, achter haar karren hun twee oudste nakomelingen. Buurtkinderen sluiten zich hollend in de rij aan, de optocht wordt allengs groter en groter. Het halve dorp rukt uit, want bij de ‘Nijenhûskes’ is wat te beleven! Mijn schoonbroer gooit de slang in de gierput en begint met het leegpompen ervan. Vanachter het keukenraam volg ik het curieuze schouwspel. Na een kwartiertje komt Keimpe, ten faveure van de gehele buurt, uitbundig zwaaiend, aanzetten met de kunsttanden van mijn moeder. Over het einde van dit relaas bestaan verschillende versies. Mijn zwager houdt vast aan de zijne: ‘ze spoelde haar gebit even onder de koude kraan en stak hem zo weer in de mond’. Wij -als kinderen- weten wel beter, we kennen mijn zwager…

 

 ‘Goh, hier wordt hard gewerkt!’, zegt mem. Zij steekt haar bewondering niet onder stoelen of banken. Dat zou trouwens ook moeilijk gaan want het zitmeubilair is nog niet aanwezig. Aangezien wij net van plan waren een hapje te gaan eten, vragen wij haar of ze ook meegaat naar het nabij gelegen restaurant E10. Met een ‘Ja, dat wist ik, maar thuis wacht heit met de stamppot boerenkool op mij’ wuift ze de invitatie weg. Rond half één lopen we, onder de verfspatten, naar de eetgelegenheid. Daar genieten we volop van, wat de heer van stand Olivier B. Bommel zou noemen, een eenvoudige doch voedzame maaltijd. In ons geval betreft het soep, een broodje kroket en koffie na. Daarna roept de plicht en vragen we de nota. Vervolgens zien we een serveerster met bloemen lopen en ze komt nog onze kant op ook! ‘Gefeliciteerd’, zegt zij ‘dit boeketje is voor jullie en het eten is ook voor onze rekening! Jullie zijn…’ . Het arme meisje krijgt niet eens de kans om haar zin af te maken. We juichen door elkaar heen. ‘Hadden we nu maar een uitgebreid menu genomen’, joelt er één. We kunnen amper geloven dat ons dit overkomt! Mijn oudste zus Wipkje hervindt zich als eerste, met  ‘de bloemen zijn voor ons broertje die ligt in het ziekenhuis’ neemt ze het fleurige bosje in ontvangst. De middag kan natuurlijk niet meer stuk, opgetogen werken wij ons door de laatste uurtjes heen. Als om vijf uur de tong op onze schoenen hangt stoppen we en besluiten we om gezamenlijk onze broer op te zoeken. We plukken het boeketje uit de emmer en vertrekken richting het hospitaal.

 

‘Hé ho, hé ho, we kregen ze cadeau’  zingend én in polonaise stormen we met de ruiker Cees zijn kamer binnen. Daar zit, tot onze verbazing –maar wat komt het goed uit!- onze moeder ook! In geuren en kleuren vertellen we  over het gratis etentje, de bloemen en wat voor geluksvogels wij wel niet zijn! En… wat zagen de andere gasten lelijk op hun neus! Terwijl ze de bloemen in een vaasje schikt zegt Wipkje: ‘Voor jou Cees, omdat het zo sneu is dat je er niet bij was’. Mijn moeder, die eerst met pretoogjes alles heeft aangehoord, begint ineens onbedaarlijk te lachen. Wat zeg ik? Ze schatert het uit! Verwonderd en een beetje geïrriteerd staren we haar aan. Het is beslist een leuke gebeurtenis, maar haar reactie is wel erg overdreven.  ‘Jullie zijn er ingetuind’ giert ze ‘ík heb het boeketje bij E10 gebracht en alles met de serveerster geregeld!’


Het boeketje staat prachtig naast het ziekenhuisbed. Maar het verhaal wat daarbij hoort is minstens zo leuk! Mijn broer vertelt dat er maar al te graag bij…