maxPuffend werken we ons door de snikhete zondagochtend. Ondanks de drukkende warmte zijn wij al vroeg verwoed bezig om ons huis op orde te krijgen. We schonen de tafels op en ik zet, voor de leuk, een eigen huis-en-tuin-boeketje van geurende lavendel op de eettafel. Ik stofzuig de parketvloer waarna Erik (mijn lief) hem grondig dweilt. Dit zouden we elke dag wel kunnen doen. Max, onze lieve nep (dus geen stamboek) Golden Retriever, verhaart waar je bij staat. Een woning is toch een soort visitekaartje van jouw persoonlijkheid. Laat mij je huis zien en ik zeg wie je bent, zoiets. Zelfs de tuin ontkomt niet aan onze werkdrift. Mijn verkering maait het gras en ik pluk, voor de ‘made-by-Trijnie-herself-taart’, verse aardbeien uit onze voortuin. Het resultaat is, al zeg ik het zelf, om je vingers bij op te eten. Het mag wat zweet kosten, maar dan hebben we ook wat! Onze aanval van huisvlijt is noodzakelijk, wij krijgen namelijk bezoek. Martin en Sara zijn lieve vrienden van mij waar ik lief maar vooral ook leed (van mijn kant) mee heb gedeeld. Ze komen voor het eerst bij ons in Uitwellingerga waar mijn nieuwe vriend woont. Niet dat we lang in huis zullen vertoeven, want wij gaan zeilen. Mijn verse vrijer heeft namelijk een huis mét een zeilboot (een randmeer inclusief buitenboordmotor) aan de steiger liggen. Hiermee varen we straks het Snekermeer op.

aarbeiNa de koffie, met als hoogtepunt de zelfgemaakte aardbeientaart, vertrekken we. Ondanks dat het KNMI een weeralarm -code rood- heeft afgegeven stappen wij vol goede moed en –minstens zo belangrijk- een mand vol lekkernijen in ons nog niet opgetuigde schuitje. Volgens Buienradar liggen we nog zo’n drie uurtjes voor op het naderende onheil. Een kleine zeilronde, met een picknickstop, moet mogelijk zijn. De realiteit en de site www.buienradar.nl blijken niet altijd synchroon te lopen. Want wij hebben de trossen amper losgegooid of de eerste vette druppels ploppen al in het water. Ze vormen donkere natte plekken op onze zomerse kleding. Rap trekken we de door Erik meegegriste regenjacks aan. Ik verzuip bijna in zijn regenpak! Geen wonder, mijn vriend is zo’n 25 cm langer dan ik. Het drukt onze vaarpret allerminst. Het buitje is waarschijnlijk aan de radar ontglipt. Niet veel later gaan de dikke spetters gepaard met een aanwakkerende wind. Ook dat vinden we nog niet erg verontrustend. Mijn verkering is een uitstekende zeiler, dus wij laten ons hierdoor niet uit het veld (laat staan van het water) slaan. We varen stug door. Allengs gaat het harder regenen en daarbij trekt de wind steeds meer aan. Wij zijn ondertussen te ver van huis geraakt om terug te keren, die optie moeten we laten varen. De redding is nabij in de vorm van het Starteiland in het Snekermeer, inclusief een geriefelijk restaurant. Onze kapitein vaart op volle snelheid daarop aan. Behendig meren we aan en al rennend bereiken wij het paviljoen. Daar is het aangenaam vertoeven, meer passanten hebben de veiligheid van het eiland opgezocht. Hoewel het weer niet meewerkt, stappen wij na een uurtje gezelligheid toch op. De stevige wind is ondertussen getransformeerd in een storm met zware rukwinden (de vlaggen staan strak horizontaal aan de masten) en de regen valt met bakken uit de hemel. Het schuim staat op de golven en de donkere lucht belooft spetterend vuurwerk. Op het meer zien we imagesR70SVEGMde waterpolitie ijverig surveilleren; de zeilsukkels worden naar de kant gehaald. De randmeer ligt aan lagerwal en beukt onstuimig tegen de planken van de vlonder aan. Besluiteloos blijven we in de haven staan. Is het wel verstandig om uit te varen? De weersomstandigheden zijn wel heel erg heftig. Mijn vrijer wil, als ervaren zeiler, natuurlijk niet door de waterpolitie van het meer worden gehaald. Stel je voor! Hij zou zich nooit meer op het water (laat staan in het pittoreske Sneek) kunnen vertonen! Dan neemt mijn lief een manhaftig besluit. Weer of geen weer, zijn randmeer hier onbeheerd achterlaten is geen optie. Hij vaart uit! ‘Als Erik zegt dat het kan, dan durf ik het ook wel aan’. Ik zou het bijna een heldhaftige moment van mezelf durven noemen ware het niet dat die zin piepend, en met dichtgeknepen billen, mijn strot uit komt. Sara blijft twijfelen. Dan stapt Martin genereus naar voren: ‘Ik ga met hem mee, nemen jullie de pont maar terug,’ zegt hij onversaagd! Deze kans grijpen wij met beide handen aan. Nu het besluit genomen is gaat het allemaal snel. Ik raap de picknicktas uit ons vaartuigje en vraag ondertussen aan mijn verkering of ik zijn portemonnee mag lenen. Geen probleem, ik laat hem tussen de wijn en kaas verdwijnen. Ook Martin levert zijn overtollige ballast in, hem staat immers nog een heroïsche expeditie te wachten. Het polyester bootje ramt vervaarlijk tegen de kade als de bemanning instapt. Op aanwijzing van stormErik duw ik, zittend op de steiger, met mijn benen de kont van het bootje in de wind weg. Zo, ketelbinkie blijft zelf veilig aan wal, de held. Voor de inwendig zeemens heb ik op het nippertje nog een plastic bakje met droge worst aan boord weten te slingeren. Het wegvaren is een bloedstollend moment, een rukwind zou hen met het grootste gemak zo terug op de kant kunnen smijten. Dat gebeurt niet, zonder brokken varen ze het Snekermeer op. Mijn schipper is wel los vertrouwd. Vanaf de kade staan we de twee toekomstige zeehelden, Martin ‘Harpertszoon Tromp’ en Erik ‘Adriaanszoon de Ruyter’, uit te zwaaien. Het zijn stoere kerels die mannen van ons! Ik heb alle vertrouwen in een behouden vaart. Bij het weglopen werp ik nog even een blik over mijn schouder; het ziet er goed uit, ze drijven nog.

Aangezien we nu even tijd over hebben –maar vooral voor de schrik natuurlijk- besluiten Sara en ik een kop koffie te drinken. Ik trakteer met de beurs van mijn vrijer (de mijne heb ik thuis laten liggen), zij is immers mijn gast. We laten ons het bakje troost en het gebak goed smaken. Onze kopjes zijn bijna leeg als het verlossende telefoontje van het thuisfront komt. Ze hebben de thuishaven heelhuids, maar wel doorweekt, weten te bereiken. ‘Wij trekken nog even droge kleren aan en dan pikken wij jullie op,’ meldt Martin. Via het toilet gaan we langzaam richting het veer. En, royaal als ik ben, betaal ik ook de overtocht.

Lang hoeven we niet op onze twee vedettes te wachten. Martin heeft een spijkerbroek van Erik aangetrokken, de zijne is nog rondjes aan het draaien in de droger. De pijpen heeft hij omgeslagen en het knoopje van de gulp wil niet goed dicht. De zeilcrew heeft honger gekregen van het hachelijke avontuur en we besluiten om Chinees te halen. Mijn vriend neemt de bestelling alvast in de auto op en vraagt zijn portefeuille terug. Met de mededeling dat ik kwistig heb getrakteerd op het Starteiland geef ik hem zijn knip terug. Het is maar even dat hij het weet. ‘Joh, dit is de mijne niet!’ roept mijn lief. ‘Nee, het is die van mij!’ herkent Martin direct zijn eigen portemonnee. Oeps! Door de hectiek bij de afvaart zijn beide beurzen in mijn tas beland. Dat is nog eens leuk trakteren! Blijk ik Sara in het restaurant een sigaar uit eigen doos te hebben aangeboden! Erik stapt uit de auto (en in een waterplas) en vraagt wie er mee gaat. ‘Ik niet,’ zegt Martin, ‘als ik een stap zet hangt de broek mij op mijn enkels!’ Nee dit moeten we niet hebben natuurlijk, afgezien van het komische gezicht picknickmanddaarvan, loopt het ook nog eens erg ongemakkelijk.

Thuisgekomen laten we ons het eten lekker smaken. De (inmiddels lauwe) wijn uit de picknickmand combineert uitstekend met de Babi Pangang. En de voorgesneden meloen doet nog prima dienst als toetje. Alleen de blokjes kaas blijven over. Een beetje sneu.