‘Het lijkt wel of wij een spelletje Memory zitten te spelen. We draaien steeds hetzelfde kaartje/gezicht om. Wil je meer over jezelf vertellen? Als je geen interesse hebt is het ook goed hoor. Even goede Lexa-vrienden’. Een week lang hebben we virtueel om elkaar heen gedraaid eer ik besluit om dit berichtje te posten op de datingsite. Zelf ben ik nogal tevreden over deze tekst, ik kan er nog alle kanten mee uit. Op de foto heeft hij zo’n leuke jongensachtige uitstraling. Hij is jonger dan ik, maar -zoals mijn dochter het zo leuk zegt-  beslist geen Patricia Paay-actie. Met hem kan ik vast goede sier maken binnen mijn vriendinnenclubje. Lang hoef ik niet op zijn antwoord te wachten ‘Je hebt gelijk, het is beter om de koe bij de horens te vatten. Zullen we elkaar aanstaande zaterdag ontmoeten om 15.00 uur bij het Paviljoen in Mirns?’ Kijk dat bedoel ik, nog doortastend ook!

 

000 mirnsHet is een uitzonderlijke warme septemberdag vandaag. Ruimschoots op tijd parkeer ik mijn cabrio op de afgesproken plek. Ik pak mijn vest en handtasje van de achterbank en sluit het dak van de auto. Daarna loop ik naar het terras met uitzicht over het IJsselmeer. Er hangt een vleugje mystieke najaarsmist over het water, de zon schijnt er wazig doorheen. De patio zit stampvol. Als een jong stel aanstalten maakt om te vertrekken pik ik snel hun plekje in. Ik bestel een latte macchiato en pak een boek uit mijn tasje: ‘De weduwnaar’ van Kluun. Als ik mij even lekker wil ontspannen, grijp ik dit exemplaar uit mijn boekenkast. In de omslag zit een ezelsoor en de pagina’s zijn vet beduimeld, gebruikerssporen van het vele lezen. Ik bewonder zijn schrijfstijl, maar niet zijn losbandige levenswandel. Niet dat ik een heilig boontje ben, maar het kan altijd nog gekker. Omdat ik zo lekker vroeg ben, duik ik nog even in het boekje. Nauwelijks heb ik een bladzijde omgeslagen of er komt een oudere man met een iets gekromde rug op mij af. ‘Trijntje?’ Terwijl ik knik, trek ik fronsend mijn wenkbrauwen in een vraagteken. Er gaat geen lichtje branden. ‘Ken ik u?’ vraag ik lichtelijk onnozel. ‘Ik ben Evert’ hoor ik hem onduidelijk mompelen. Evert? Zie je wel, hij is op de verkeerde afgestapt! ‘David… toch?’ vraag ik nog onzeker, terwijl ik zoekend om me heen kijk. Deze man komt overduidelijk niet voor mij, ik heb een jonger exemplaar uitgezocht. Er zit vast nog een andere dame te wachten op een afspraakje. Zij mag hem hebben. ‘Dévid. Op zijn Amerikaans’ stelt hij zich nogmaals aan mij voor, maar nu een stuk duidelijker. Ik heb mijn huiswerk goed gedaan, hij is in de Verenigde Staten geboren. Dit is weldegelijk mijn date! Zijn echte naam is Ypke, vertelt hij er gelijk bij, maar dat is voor een Amerikaan nauwelijks uit te spreken. Ik schrik van zijn Friese voornaam. Hoewel deze niet veel voorkomt, kleven er voor mij nare herinneringen aan. Zeg maar nee, dan krijg je er twee! Hoe is het mogelijk dat hij ook zo heet. Nu ik hem beter observeer zie ik toch enige gelijkenis met de foto die hij op Lexa heeft gezet. Alleen is dit heerschap duidelijk een stuk ouder dan toen dat kiekje werd genomen. Even ben ik van slag, de eerste indruk is een fikse domper. De gasten naast ons hebben inmiddels hun gezicht geamuseerd naar ons toegedraaid en volgen met nieuwsgierige belangstelling onze conversatie. Het voelt erg ongemakkelijk allemaal. Het is zonneklaar dat we met een eerste afspraakje bezig zijn. Ik gebaar hem om te gaan zitten, zodat we minder opvallen. Er goed uitziend staat er in zijn profiel, nou daar heb ik toch een heel ander beeld bij…

 

000 latte‘Wil je iets drinken?’ vraagt hij. ‘Ik heb net besteld’ zeg ik, terwijl ik de serveerster al aan zie komen lopen met mijn koffie en een Fries duimpje. ‘Voor mij hetzelfde graag’ zegt David.  Mijn verwarring en teleurstelling moeten bijna zichtbaar voor hem zijn. ‘Je hebt een mooie locatie uitgezocht’ probeer ik monter het gesprek in een positieve richting te duwen. Mijn van te voren bedachte openingszin ‘wat zie jij er leuk uit’ laat ik, gezien de werkelijkheid, maar achterwege. Ja, hij kent het nog van vroeger toen hij hier met zijn twee dochtertjes kwam zwemmen. David spreekt erg zachtjes, traag en denkt vooral heel goed na voordat hij wat zegt. Bij mij floepen de woorden er meestal al uit voordat ik er überhaupt over heb kunnen nadenken. Het bedachtzame van hem begint mij reeds spoedig te irriteren. Pit en spontaniteit zijn deze man vreemd. Ik wil, om de woorden van Koot en Bie even creatief te gebruiken, met een man lekker ongedwongen kunnen rollebollen onder de kerstboom. Dit 000 hommelgaat met hem niet gebeuren, zoiets heb ik altijd al gauw door.  Na de koffie stelt hij voor om een stukje te wandelen, het praat wat makkelijker, zegt hij. Wel ja, nu ik er toch ben… waarom ook niet. Even later lopen we langs het IJsselmeer richting bos. Ineens ziet David een hommel in het gras liggen. Bezorgd buigt hij zich over het beestje. Net wanneer ik denk dat hij mond-op-mondbeademing gaat toepassen, merkt hij op dat het diertje dood is. Ik had meteen in de gaten dat voor onze gevleugelde vriend de dierenambulance te laat zou komen. Gevoelig staat er in zijn profiel, lulletje rozenwater komt dichter in de buurt, vermoed ik.

 

Door het bos wandelen wij terug naar onze auto’s. Een gesprek is niet echt van de grond gekomen, wij zijn te verschillend. Woorden blijven tussen de bladeren hangen en vormen nauwelijks zinnen. Tot overmaat van ramp verdwalen wij ook nog jammerlijk. Het pad wat wij volgen wordt door omgewaaide bomen versperd. Hierdoor zijn wij 000 boomgenoodzaakt om een alternatieve route te kiezen, die leidt ons echter naar een doodlopend punt. ‘Wat een prachtige boom’ verzucht David. Deze opmerking hebben we nog niet gehad vandaag. Na ‘wat is het sereen stil hier’, toen ik eventjes mijn mond hield, komt deze met stip binnen op nummer twee. ‘Ja’ probeer ik nog enthousiast mee te doen ‘en het zijn er nog zoveel ook!’ We keren om en besluiten om toch maar over de omgevallen bomen te klauteren. Rap en lenig weet ik de obstakels te passeren. David volgt mij op de voet. Echter bij de laatste stronk blijft hij erg onhandig met zijn voet achter een wortel hangen en ploft languit op de grond. Atletisch vermeldt zijn profiel, houten klaas komt dichter in de buurt, vrees ik.  

 

Als we eindelijk de uitgang van het bos weten te bereiken, wandelen we recht op het parkeerterrein af. Bij de auto’s nemen we afscheid, er hoeft niets uitgelegd te worden, we snappen beiden wel dat er geen vervolg komt. Opgelucht rijd ik weg; hij denk ik ook…